Afbeelding
Dagboeknotities

Grenzen aan groei

Algemeen 94 keer gelezen

Ergens in de jaren zeventig moesten wij, alle scholieren  van een bepaald leerjaar in onze woonplaats, op een middag verplicht naar een theater. Daar werden we toegesproken door een belangrijk iemand. Ik weet niet meer wie. Het was een imponerende man, met een dragende stem. Zijn hele houding en manier van spreken straalde gezag uit, ook voor de pubers die wij waren.

Hij kwam vertellen over het Rapport van de Club van Rome. Wat ik me vooral herinner is dat hij ons inpeperde dat er grenzen aan de groei waren. Dat was ook de titel van het rapport. Als de wereldbevolking zou blijven groeien en we zouden meer grondstoffen gaan gebruiken, omdat we meer economische groei wensten, dan zou het slecht met ons aflopen. Binnen enkele decennia zouden grondstoffen en voedselvoorraden opraken. Ons milieu zou aangetast worden. Grote vluchtelingenstromen zouden op gang komen.

Wij waren de generatie waar de hoop op gevestigd was. Wij moesten het anders gaan doen dan onze ouders. Die waren druk geweest met de wederopbouw van het land na de Tweede Wereldoorlog. Zij hadden geleefd met het idee dat alles beter moest worden. En vooral: meer, meer, meer. Meer geld verdienen, meer spullen kopen, meer luxe, meer comfort, meer soorten voedsel, meer kleding, meer auto’s, meer vakanties.

‘Maar’, zei de spreker, ‘als jullie op dezelfde voet doorgaan, zal zich een grote ramp voltrekken. Jullie moeten heel zuinig omgaan met alle grondstoffen, niet alles zelf inpikken maar eerlijk delen met de hele wereldbevolking. Doe je dat niet, dan zal de wereld zachtjes jankend ten onder gaan.’ Later werd de visie van de Club van Rome weggehoond. Ze zou de hele kwestie schromelijk overdreven hebben.

Maar toen wij vertrokken uit dat zaaltje, gebeurde dat in doodse stilte. Wij waren diep onder de indruk. Je voelde dat deze man niet uit zijn nek kletste. Vooral dat ‘zachtjes jankend’ had erin gehakt. Later kwam ik erachter dat hij dat van een dichter geleend had: ‘niet met een knal, maar zachtjes jankend.’ Hoe dan ook, zijn verhaal kwam goed binnen en veel van mijn klasgenoten hebben het ter harte genomen. Ze werden lid van natuur- en milieuorganisaties, liepen mee in demonstraties, stemden op ‘groene’ partijen. Ze werden vegetarisch, omdat veehouderij de pest is voor ons milieu en klimaat, ze fietsten zich blauw, omdat ze geen auto wilden rijden, en ze liepen in dikke truien, zodat ze minder hoefden te stoken.

Helaas, ze waren met te weinig. Ze werden weggezet als geitenwollensokkenbreiers. Bedrijven bleven vuil in de lucht gooien. En in het water. En in de bodem. Nederland werd vol geplempt met bedrijventerreinen, kassen en megastallen. Regeringen durfden of wilden niet ingrijpen. Het moet immers wel gezellig blijven, vindt ook onze demissionaire premier. De meeste mensen vonden het allemaal wel best, ondanks updates van het rapport van de Club van Rome en alarmerende rapporten van andere organisaties. De laatste is van IPPC. Inmiddels zijn volhardende klasgenoten van destijds actief als ‘Grootouders voor het Klimaat’. Of het zal helpen?

Uit de krant