Afbeelding
Dagboeknotities

Ikke en de rest

Algemeen 109 keer gelezen

Een lezer van deze krant vroeg zich af waarom we vluchtelingen niet willen helpen. Waarom mogen asielzoekers het dorp niet in? Waarom meteen paniek bij het verkennen van mogelijkheden voor een (tijdelijk) Azielzoekerscentrum? Waar is onze medemenselijkheid gebleven?

Hier volgt het antwoord.

Het komt door de evolutie. Wij hebben als diersoort in de loop der tijd geleerd dat je eigen familie en buurtgenoten moet helpen, maar dat je vreemdelingen beter op afstand kunt houden. Ze pikken je voedsel en je land in en als je niet uitkijkt ook nog je vrouwen. Weg met die lui! We denken daar niet meer zo bij na; het is een gevoel geworden. Mensen die een andere huidskleur of religie hebben, een andere taal spreken of vreemde gewoonten hebben, die houden we liever op afstand.

Dat kun je natuurlijk tegenwoordig niet meer zomaar zeggen. Daarom verzinnen we er logische argumenten bij. Bijvoorbeeld dat vluchtelingen zo getraumatiseerd zijn dat ze vast gevaarlijk gedrag gaan vertonen. Dat is nog niet zo’n gekke gedachte. Als je ziet hoe volwassen mensen in ons veilige Nederland over hun toeren raken als ze een paar weken voor negen uur thuis moeten zijn, dan kun je wel nagaan hoe je eraan toe bent als je op de vlucht moest slaan voor bombardementen, beschietingen, vervolging en marteling. Misschien heb je dan wel speciale hulp nodig in plaats van een extra schop onder je kont.

Een andere reden die in het geval van Westvoorne ter tafel kwam: de beoogde locatie voor het AZC lag buiten de dorpskernen, ver van alle voorzieningen, dus ongeschikt. Dat klinkt plausibel. Stiekem werd ik wel nieuwsgierig wat we te horen gekregen zouden hebben als de opvangplek midden in een woonwijk gepland zou zijn.

Aan de borreltafel hoor je nog veel meer argumenten als het gaat over het weren van asielzoekers. Sommigen zouden gewoon ‘gelukzoekers’ zijn. Misschien. Wie niet? Wat geeft ons meer recht om op deze plek te wonen dan anderen? Het meest gehoorde antwoord daarop is: we kunnen ze nu eenmaal niet allemáál hierheen halen. Klopt. Dus beter dan maar niemand meer helpen?

Toch zijn we niet zo egoïstisch als aan de borreltafel vaak lijkt. Komen er eenmaal een paar vluchtelingen in de eigen straat wonen, dan laten we ons van een andere kant zien. Dan zamelen we kleding en huisraad in, geven taalles en willen we gerust hun kinderen eens voorlezen. Hoe kan dat? Waar worden we dan ineens zo aardig van? Omdat ze ‘van dichtbij’ toch minder eng en bedreigend lijken. Ze worden langzamerhand één van ons: gezellige buurtgenoten, ja soms zelfs onze beste vrienden.

Pas vroeg iemand of ik dan geen bezwaar zou hebben tegen een AZC in mijn straat. Ja! Natuurlijk wel! En daar heb ik een goede reden voor. Ik houd namelijk van rust. Dus geen opvangcentrum in mijn straat, geen moskee voor mijn deur. En ook geen kerk of tempel. En al helemaal geen café. Ook geen ronkende motoren, niet historisch en niet modern, en zeker geen optochten van tractoren of toeterende trucks. Ga weg, engerds!

Uit de krant

Uit de krant